Hoe je het juiste agency kiest (en niet elk jaar opnieuw moet beginnen)
Van vage ambities en mooie slides naar duidelijke keuzes, betere samenwerkingen en minder frustratie
Laat ons beginnen met een ongemakkelijke waarheid. De meeste mislukte agency-samenwerkingen mislukken niet omdat het bureau slecht is. Ze mislukken omdat het selectieproces rommelig was. Te snel. Te vrijblijvend. Te veel “we voelen het wel”. Agencyselectie wordt vaak behandeld als een marketingoperatie, terwijl het in realiteit een strategische bedrijfsbeslissing is. Vergelijkbaar met een key hire. Of een overname, maar dan met minder Excel en meer PowerPoint.
Deze gids is geschreven voor bedrijven die dit proces zelf willen vastpakken. Die geen zin hebben in pitchcircussen, agency-hopping en de jaarlijkse “we moeten eens opnieuw nadenken over marketing”-sessie. Het doel is niet om alles dicht te timmeren. Het doel is om betere keuzes te maken, met open ogen.
En ja: dit vraagt tijd. Wie daar geen ruimte voor heeft, betaalt later interest. In frustratie. In gemiste opportuniteiten. In opnieuw beginnen.
Stap 1 - Interne zelfdiagnose: stop met een agency te zoeken, begin met jezelf te bevragen
De meeste agencyselecties starten met de zin: “We zoeken een nieuw bureau.”
Dat is zelden waar. Wat bedrijven eigenlijk zeggen is één van deze dingen:
“We hebben te weinig tijd.”
“We hebben te weinig richting.”
“We hebben te veel meningen.”
“We hebben ooit een strategie gemaakt en niemand volgt ze nog.”
“De omzet staat onder druk en marketing moet het fixen.”
Een agency kan veel oplossen. Maar geen structurele onduidelijkheid. Daarom moet deze stap dieper gaan dan een brainstorm en eerlijker dan comfortabel voelt.
Van symptoom naar oorzaak: de marketing-fysiotherapie
Een veelgemaakte fout is dat bedrijven hun marketingprobleem omschrijven in termen van output. Te weinig leads. Te weinig traffic. Te weinig zichtbaarheid. Dat zijn symptomen, geen oorzaken.
Benchmarks maken dit pijnlijk duidelijk. In analyses bij KMO’s en scale-ups blijkt dat in meer dan 60 procent van de gevallen het “marketingprobleem” eigenlijk een positioneringsprobleem is. In nog eens 20 procent gaat het over een operationeel probleem: slechte opvolging, versnipperde tooling, geen eigenaarschap. Slechts een minderheid is puur een creatief of mediaprobleem.
Concrete oefening. Neem het probleem dat je wil oplossen en vraag vijf keer “waarom”. Niet als managementspelletje, maar echt. Tot je bij iets uitkomt dat ongemakkelijk wordt. Dáár zit meestal de echte vraag.
Capaciteit versus richting: een cruciaal onderscheid
Dit onderscheid verdient een eigen alinea, want hier gaat het vaak mis.
Zoek je capaciteit, dan heb je in principe al richting. Je weet wat je wil doen, maar je geraakt er niet door. Je marketingteam staat onder druk. Deadlines stapelen zich op. Je zoekt extra handen, snelheid, uitvoeringskracht.
Zoek je richting, dan heb je geen handen tekort, maar duidelijkheid. Dan zijn er veel ideeën, maar geen prioriteiten. Veel initiatieven, maar weinig consistentie. Dan verwacht je van een agency dat het helpt structureren, keuzes maken en nee zeggen.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen mislopen wanneer bedrijven richting zoeken, maar capaciteit inkopen. Of omgekeerd. Dat leidt tot frustratie: “ze denken niet mee” versus “ze blijven maar strategische vragen stellen”.
Concrete todo: schrijf expliciet op of je primair capaciteit of richting zoekt. Als het beide is, benoem welk stuk het zwaarst weegt. Eén zin. Geen alinea.
Marketing als organisatieprobleem, niet als communicatief probleem
Marketing werkt nooit in isolatie. Nooit. Toch wordt agencyselectie vaak volledig bij marketing gelegd, los van sales, product of directie. Dat is vragen om misalignment.
In bedrijven waar marketing structureel onderpresteert, zie je vaak dezelfde patronen. Geen duidelijke doelgroepkeuzes. Sales die andere prioriteiten heeft dan marketing. Directie die marketing ziet als kostenpost. Of marketing die verantwoordelijk wordt gehouden voor omzet zonder invloed op pricing of aanbod.
Concrete oefening. Beantwoord intern deze vragen, liefst samen met sales en directie:
Wie is eindverantwoordelijk voor marketingresultaat?
Waar stopt marketing en begint sales?
Wie beslist over prioriteiten als alles “belangrijk” is?
Welke keuzes mogen agencies níét in vraag stellen?
Als hier geen consensus over is, ga je dat conflict uitbesteden aan je agency. Dat is geen fair fight.
Ambitie en realiteit: hoe groot wil je het echt maken?
Veel bedrijven formuleren ambities die niet matchen met hun investeringsbereidheid. Dat is menselijk. En dodelijk voor agencyselectie.
Een simpele benchmark: bedrijven die hun marketingbudget met minder dan 10 procent verhogen, mogen geen fundamenteel andere resultaten verwachten. Meer van hetzelfde, iets beter uitgevoerd, is het maximum. Fundamentele groei vraagt fundamentele keuzes. Meer focus, meer budget, meer geduld.
Concrete todo: schrijf op wat je realistisch verwacht binnen 6, 12 en 24 maanden. Niet in slogans, maar in gedragsverandering. Wat moet er anders zijn in hoe marketing werkt in de organisatie?
Interne maturiteit: durf jezelf te scoren
Niet elk bedrijf is klaar voor elk type agency. Dat is geen schande. Dat is maturiteit.
Een bureau dat strategisch meedenkt, heeft een gesprekspartner nodig die beslissingen kan nemen. Een performancebureau werkt alleen als tracking, data en opvolging op orde zijn. Een brandingtraject zonder intern draagvlak is een duur kunstproject.
Concrete oefening. Geef jezelf op deze domeinen een score van 1 tot 5:
Duidelijkheid van doelgroep en propositie
Besluitvaardigheid
Beschikbare interne marketingcapaciteit
Datakwaliteit en tooling
Interne alignment tussen marketing, sales en directie
Alles onder 3 is geen “agencyprobleem”, maar een intern werkpunt. Wees daar eerlijk over. Agencies voelen dat toch.
Politiek, ego en historie: zeg het luidop
Misschien wel het meest onderschatte deel van stap 1. Interne politiek. Vorige mislukkingen. Ego’s. Trauma’s. Het vorige bureau dat “het niet begreep”. De CEO die zich persoonlijk met copy bemoeit. De sales director die campagnes saboteert.
Als dit niet benoemd wordt, wordt het opnieuw een probleem. Alleen dit keer met andere mensen.
Concrete todo: maak een lijst van alles wat je níét wil herhalen uit vorige samenwerkingen. Niet om te klagen, maar om patronen te herkennen.
Output van stap 1: wanneer ben je klaar?
Je bent klaar met stap 1 als je dit kan opleveren:
Een scherpe probleemdefinitie die verder gaat dan marketingoutput
Een expliciete keuze tussen capaciteit en richting
Een realistisch beeld van budget en ambitie
Een eerlijke inschatting van interne maturiteit
Een lijst van gevoeligheden en randvoorwaarden
Lukt dit niet intern, dan is dat geen falen. Dan is dat informatie. Precies op dat punt kiezen veel bedrijven ervoor om begeleiding te vragen. Omdat iemand van buitenaf sneller patronen ziet, moeilijke vragen durft stellen en het gesprek ontmijnt.
En ja, dat is exact waar www.ikag.be vaak instapt. Niet om agencies te pushen, wel om deze eerste stap scherp te krijgen. Want een goede agencyselectie begint niet bij agencies. Ze begint bij zelfkennis. En zelfkennis, dat is zelden een PowerPoint.
Stap 2 - Marketingbudget: stop met vaagheid, begin met richting
Laten we het beest meteen bij de naam noemen. “We willen eerst ideeën zien en dan beslissen over budget” is geen strategie. Dat is hopen op magie. En magie is zelden schaalbaar, reproduceerbaar of factureerbaar.
In agencyselecties is budget geen randvoorwaarde, maar een stuurinstrument. Het bepaalt welk type bureau je aantrekt, welk type voorstellen je krijgt en hoeveel strategische diepgang realistisch is. Bedrijven die hier vaag blijven, krijgen geen betere voorstellen. Ze krijgen voorzichtige voorstellen. Of wilde voorstellen zonder realiteitszin. Beide zijn problematisch.
Het grote plaatje: hoeveel investeren bedrijven écht in marketing?
Even aarden met cijfers. Belgische en Nederlandse KMO’s investeren gemiddeld tussen 5 en 10 procent van hun omzet in marketing. Dat gemiddelde maskeert veel nuance, maar het is een nuttig startpunt.
Bedrijven in stabiele markten met beperkte groeiambitie zitten vaak rond 4 à 6 procent. Bedrijven die willen groeien, marktaandeel willen winnen of een nieuwe positionering uitrollen, zitten sneller tussen 8 en 12 procent. Tech-, SaaS- en scale-ups durven daar soms boven gaan, maar compenseren dat vaak met scherpere focus.
Belangrijker dan het absolute percentage is de trend. Bedrijven die verwachten dat marketing fundamenteel andere resultaten oplevert zonder het budget mee te laten evolueren, stellen marketing eigenlijk verantwoordelijk voor een mirakel.
Concrete reality check. Als je marketingbudget jaar na jaar quasi stabiel blijft, maar je verwacht exponentiële groei, dan ligt het probleem niet bij je agency. Dan ligt het bij je verwachtingsmanagement.
De interne verdeling: waar gaat dat marketingbudget naartoe?
Minstens even belangrijk is hoe dat marketingbudget verdeeld wordt. Een veelgeziene verdeling bij middelgrote bedrijven ziet er ongeveer zo uit:
Ongeveer 30 tot 40 procent gaat naar media en distributie. Denk aan advertising, paid social, search, sponsoring.
Ongeveer 20 tot 30 procent gaat naar externe partners zoals agencies, freelancers en consultants.
Ongeveer 25 tot 35 procent gaat naar interne marketingmedewerkers, inclusief lonen, overhead en opleiding.
Ongeveer 5 tot 10 procent gaat naar tools, software, data, CRM en marketingtechnologie.
Dit zijn geen ideale cijfers. Dit zijn observaties uit de praktijk. En ze zijn belangrijk, omdat ze context geven. Als je verwacht dat een agency “alles” doet, maar slechts 10 procent van je marketingbudget voorziet voor externe partners, dan zit daar een structurele spanning.
Concrete todo: maak deze verdeling expliciet. Ook als ze scheef voelt. Dat is geen probleem, zolang je ze erkent.
Agencybudget: wat koop je eigenlijk?
Een cruciale nuance die vaak vergeten wordt. Met agencybudget koop je geen output. Je koopt tijd, aandacht, expertise en verantwoordelijkheid. Hoe lager het budget, hoe minder ruimte er is voor strategisch denkwerk. Dat is geen onwil, dat is economie.
Benchmarks tonen dat structurele strategische begeleiding pas realistisch wordt vanaf een bepaald minimumbudget. Niet omdat agencies elitair zijn, maar omdat senior tijd schaars en duur is. Verwachten dat een bureau met een beperkt budget diep strategisch meedenkt, creatief verrast én uitvoert, is alsof je een Michelinmenu bestelt met een lunchbudget.
Concrete oefening. Beantwoord deze vraag expliciet: willen we van dit agency vooral denkkracht, uitvoeringskracht of beide? En welk deel van het budget mag daarnaartoe gaan? Dat dwingt keuzes af.
Vast versus variabel: het verschil tussen samenwerken en shoppen
Veel bedrijven gooien alles op één hoop. Projectbudgetten, retainer, media, productiekosten. Dat maakt het onmogelijk om helder te evalueren.
Een gezond marketingbudget maakt onderscheid tussen vaste en variabele componenten. Vaste kosten zorgen voor continuïteit, kennisopbouw en eigenaarschap. Variabele budgetten zorgen voor flexibiliteit, experiment en schaal.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen met een duidelijke vaste component gemiddeld langer standhouden en meer waarde opleveren dan louter projectmatige relaties. Niet omdat projecten slecht zijn, maar omdat niemand eigenaarschap neemt als alles tijdelijk is.
Concrete todo: bepaal vooraf welk deel van je marketing- en agencybudget structureel is en welk deel experimenteel. Zet dat ook zo in de briefing.
Tijd is ook budget (maar staat zelden in het overzicht)
Een blinde vlek in bijna elk budgetgesprek: interne tijd. Vergaderingen. Afstemming. Feedback. Correctierondes. Interne politiek. Al die dingen kosten tijd. En tijd kost geld.
In veel organisaties overstijgt de interne tijdsbesteding aan marketingprojecten de externe facturatie. Alleen staat die niet in de marketingkolom, maar verstopt in salarissen en vergaderagenda’s.
Concrete oefening. Schat eens hoeveel interne uren per maand naar marketing gaan. Niet om exact te zijn, maar om bewustzijn te creëren. Veel bedrijven ontdekken hier dat “we doen veel zelf” helemaal niet zo goedkoop is als gedacht.
Budget en ambitie: maak het verband expliciet
Een sterk signaal naar agencies is wanneer je expliciet maakt wat het budget wél en niet moet kunnen doen. Dat vraagt moed. Maar het voorkomt teleurstelling.
Voorbeeld. Met dit budget willen we focus brengen, prioriteiten bepalen en twee kernkanalen goed uitbouwen. Niet alles tegelijk. Niet elke doelgroep. Niet elke trend.
Concrete todo: schrijf drie dingen op die je met dit budget níét verwacht. Dat is vaak even verhelderend als wat je wel verwacht.
Output van stap 2: wanneer is dit klaar?
Je bent klaar met stap 2 als je dit kan opleveren:
Een realistisch marketingbudget in verhouding tot omzet en ambitie
Een duidelijke verdeling tussen media, agencies, intern en tooling
Een expliciet agencybudget, met bandbreedte
Een onderscheid tussen vaste en variabele marketinginvesteringen
Een gedeeld begrip van wat dit budget wel en niet mogelijk maakt
Als dit gesprek intern al moeilijk loopt, is dat een alarmsignaal. Niet om het te vermijden, wel om het serieus te nemen. Want elk onuitgesproken spanningsveld rond budget wordt later een spanningsveld met je agency.
Stap 3 - Skillset, DNA en structuur: waarom “ze zijn goed” geen criterium is
Als je bedrijven vraagt waarom ze voor een bepaald agency kozen, krijg je vaak varianten van hetzelfde antwoord. “Ze hadden goeie cases.” “Het klikte.” “Ze leken ons te begrijpen.” Allemaal waar. En tegelijk totaal onvoldoende om een duurzame samenwerking op te bouwen.
De meeste samenwerkingen die ontsporen, doen dat niet omdat het agency zijn vak niet kent. Ze ontsporen omdat de verwachtingen over rol, tempo, verantwoordelijkheid en samenwerking nooit expliciet zijn gemaakt. Stap 3 is het moment om dat wél te doen.
Skillset: stop met lijstjes verzamelen, begin met schrappen
Skillset is het zichtbare deel van de ijsberg. Iedereen kan een lijstje maken van wat hij nodig heeft. Branding. Performance. Content. SEO. Marketing automation. Data. AI. TikTok. Iemand die PowerPoint kan openen zonder paniek.
Het probleem is niet dat bedrijven te weinig skills vragen. Het probleem is dat ze te veel vragen. Hoe langer de lijst, hoe groter de kans dat je eindigt met een agency dat overal net niet diep genoeg gaat.
Benchmarks uit agencyselecties tonen dat succesvolle samenwerkingen bijna altijd starten met één dominante kerncompetentie. Iets waar het bureau écht eigenaar van is. Alles wat daar rond zit, is ondersteunend. Bedrijven die vijf kerncompetenties zoeken, krijgen meestal vijf halve oplossingen.
Concrete oefening. Dwing jezelf om één primaire skill te benoemen. Niet twee. Eén. De skill die, als die goed zit, de meeste impact heeft op je business. Alles wat je daarnaast vraagt, moet aantoonbaar dat hoofddoel versterken. Zo niet, schrappen.
Nog een pijnpunt. Verwar “kan dit ook” niet met “is hier goed in”. Vraag door. Hoeveel cases? Hoe recent? Met welke resultaten? En vooral: wie deed het werk? Als het antwoord vaag wordt, heb je je antwoord.
DNA: tempo, mentaliteit en frictietolerantie
DNA is het deel dat zelden in decks staat, maar alles bepaalt. Het gaat over hoe een bureau denkt en werkt, niet over wat het maakt.
Tempo is vaak de eerste clash. Sommige bureaus werken bedachtzaam, met duidelijke fases en checkpoints. Andere zijn iteratief, snel, soms rommelig maar vooruitstrevend. Geen van beide is beter. Maar een mismatch hier leidt tot frustratie. De ene partij vindt de andere traag. De andere vindt de ene roekeloos.
Mentaliteit gaat over ambitie en eigenaarschap. Is het bureau eerder uitvoerend of challenger? Durft het nee zeggen? Of zegt het vooral ja en hoopt het dat het goed komt? Bedrijven zeggen vaak dat ze een challenger willen. In de praktijk willen ze vaak vooral bevestiging. Dat is geen schande, zolang je het erkent.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen met duidelijke rolafspraken rond “wie daagt wie uit” significant minder conflicten kennen. Verwacht je dat een bureau strategisch tegengewicht biedt, dan moet je dat ook ruimte geven.
Concrete oefening. Beantwoord intern deze vraag: willen we dat dit bureau ons soms ongemakkelijk maakt? En zo ja, waarover precies? Als het antwoord “ja, maar niet te veel” is, schrijf dat ook zo op. Eerlijkheid wint hier van bravoure.
Structuur: hoe het bureau georganiseerd is, bepaalt je dagelijkse realiteit
Structuur is de stille killer van agencyrelaties. Het gaat over dingen waar zelden expliciet naar gevraagd wordt, maar die elke week voelbaar zijn.
Hoe ziet het team eruit dat effectief voor ons werkt? Hoeveel klanten heeft dat team tegelijk? Hoeveel senioriteit zit erop? Is er continuïteit, of wisselt dat team elk kwartaal? Wordt er gewerkt met vaste aanspreekpunten of met projectmanagers die vooral doorgeven?
Een belangrijke benchmark. In samenwerkingen waar de klant minder dan één vast senior aanspreekpunt heeft, daalt de tevredenheid significant na zes tot negen maanden. Niet omdat het werk slecht is, maar omdat context verloren gaat. Contextverlies is duur. Altijd.
Nog een realiteit. In pitches zie je vaak het A-team. In de uitvoering soms het B-team. Dat is niet per definitie kwaad opzet, maar wel iets waar je expliciet over moet spreken.
Concrete todo: vraag letterlijk wie er op jouw dossier zit na de pitch. Met namen en rollen. Niet om ze vast te pinnen, wel om transparantie af te dwingen.
Groot versus klein, lokaal versus groep: geen ideologie, wel impact
Veel bedrijven hebben een uitgesproken gevoel bij grootte. “We willen geen mastodont.” Of: “We willen iemand met slagkracht.” Beide zijn legitiem. Maar maak het concreet.
Kleinere bureaus bieden vaak meer betrokkenheid, snelheid en flexibiliteit. Grotere bureaus bieden schaal, specialisatie en continuïteit. Groepen combineren soms het beste van twee werelden, maar voegen ook complexiteit toe.
Benchmarks tonen dat KMO’s vaak beter functioneren met bureaus die organisatorisch niet te ver van hen af staan. Dat verkleint de vertaalslag. Maar dat is geen wet. Het is een patroon.
Concrete oefening. Beschrijf je ideale bureau alsof het een collega is. Hoe groot is dat team? Hoe snel beslissen ze? Hoeveel klanten hebben ze? Dat klinkt soft, maar het is verrassend richtinggevend.
Verwachtingen expliciet maken: de anti-frustratie-oefening
De meeste frustraties in agencyrelaties zijn voorspelbaar. “Ze denken niet mee.” “Ze zijn te duur.” “Ze reageren te traag.” “Ze challengen ons te weinig.” Dat zijn geen problemen. Dat zijn niet-uitgesproken verwachtingen.
Concrete oefening. Maak een lijst van vijf dingen die voor jou absoluut niet mogen gebeuren in de samenwerking. Niet technisch. Relationeel. Bijvoorbeeld: verrassingen in facturatie, telkens opnieuw context moeten uitleggen, voorstellen zonder duidelijke aanbeveling.
Bespreek die lijst intern. En later met de bureaus op de shortlist. Dat voelt spannend. Maar het is stukken goedkoper dan zes maanden ergernis.
Output van stap 3: wanneer is dit scherp genoeg?
Je bent klaar met stap 3 als je dit helder kan benoemen:
De ene kernskill die het agency moet beheersen
Het type DNA dat past bij jullie tempo en mentaliteit
De gewenste mate van uitdaging versus bevestiging
De structuur die nodig is voor continuïteit en eigenaarschap
De non-negotiables in samenwerking en communicatie
Als dit moeilijk voelt, is dat normaal. Dit is het punt waar agencyselectie stopt met “een marketingding” te zijn en een organisatievraagstuk wordt. Veel bedrijven merken hier dat ze intern niet op één lijn zitten. Dat is geen falen. Dat is waardevolle informatie.
Skillset kan je kopen. DNA en structuur niet. En net daarom bepalen ze of je samenwerking werkt.
Stap 4 - De briefing: van verlanglijstje naar beslissingsdocument
De gemiddelde briefing is een paradox. Ze is te lang én te vaag. Ze bevat vijftig slides context, maar geen echte keuzes. Ze zegt veel, maar beslist niets. En dan zijn bedrijven verbaasd dat agencies verschillende richtingen voorstellen, appels met peren vergelijken en dat het selectieproces aanvoelt als een schoonheidswedstrijd.
Een goede briefing doet het omgekeerde. Ze beperkt. Ze kadert. Ze dwingt keuzes af. Niet bij het agency, maar bij het bedrijf zelf.
Wat een briefing niet is (maar vaak wel wordt)
Laten we eerst opruimen. Een briefing is geen:
– creatieve uitnodiging om “eens zot te doen”
– RFP-template dat al tien jaar circuleert
– interne presentatie licht herschreven voor extern gebruik
– PowerPoint waarin elk afdelingshoofd nog snel iets heeft toegevoegd
Benchmarks uit agencyselecties tonen dat hoe langer en gedetailleerder de briefing, hoe groter de spreiding in voorstellen. Niet omdat agencies het niet snappen, maar omdat ze verschillende accenten leggen bij gebrek aan duidelijke keuzes.
Concrete reality check: als vijf agencies vijf totaal verschillende interpretaties maken, is dat zelden omdat ze “het niet begrepen”. Het is omdat jij niet beslist hebt.
De kern van een sterke briefing: context boven oplossingen
De grootste valkuil in briefings is oplossingsdrang. Bedrijven schrijven wat ze denken nodig te hebben, niet wat ze proberen op te lossen. “We willen een nieuwe website.” “We willen meer leads.” “We willen iets met AI.” Dat zijn geen briefings. Dat zijn vermoedens.
Een sterke briefing start met context. Waar komen we vandaan? Wat is de geschiedenis? Wat is er al geprobeerd? Wat werkte, wat faalde, en waarom denken we dat dat zo was? Dit is geen klaagzang over vorige agencies, maar een patroonanalyse.
Concrete tip: schrijf expliciet één paragraaf met “wat we al geprobeerd hebben en wat dat ons geleerd heeft”. Agencies die dit lezen, kunnen veel gerichter meedenken. En ja, ook sneller aangeven of ze passen of niet.
Doelstellingen: minder KPI’s, meer beslissingskracht
Veel briefings verdrinken in KPI’s. Traffic, leads, engagement, awareness, consideration, conversion. Allemaal tegelijk. Dat is geen ambitie, dat is keuzestress.
Benchmarks tonen dat succesvolle marketingtrajecten bijna altijd één primaire doelstelling hebben per fase. Niet omdat andere doelen onbelangrijk zijn, maar omdat focus werkt. Bedrijven die alles tegelijk willen optimaliseren, optimaliseren vaak niets echt.
Concrete oefening: benoem één primaire doelstelling voor de komende 6 à 12 maanden. En benoem expliciet welke doelen secundair zijn. Dat helpt agencies om voorstellen te maken die je effectief kan vergelijken.
Nog belangrijker: benoem succescriteria die verder gaan dan cijfers. Wat moet er anders zijn in hoe marketing werkt? Snellere beslissingen? Betere interne alignment? Meer eigenaarschap? Dat zijn zaken die je niet in dashboards ziet, maar die het verschil maken.
Interne context en gevoeligheden: zeg wat anders toch boven water komt
Dit is misschien wel het meest onderschatte deel van een briefing. Interne realiteit. Politiek. Historiek. Ego’s. Spanningen. Beslissingsmacht.
Wie beslist finaal? Wie heeft veto? Wie is sponsor, wie is gebruiker, wie is criticus? Agencies voelen dit meestal binnen drie meetings aan. Als je het niet benoemt, verliezen ze tijd met gokken.
Concrete tip: voeg een sectie toe “interne context en randvoorwaarden”. Niet om alles uit te leggen, wel om verrassingen te vermijden. Dingen zoals: dit moet langs legal, sales is kritisch, directie wil snel resultaat zien, marketing heeft beperkte autonomie.
Dit is geen zwaktebod. Het is volwassen opdrachtgeverschap.
Budget en timing: vaagheid is geen onderhandelingsstrategie
We moeten het nog eens zeggen, want dit blijft een pijnpunt. “We willen eerst ideeën zien” is geen reden om geen budget te geven. Het is een manier om beslissingen uit te stellen.
Benchmarks tonen dat agencies hun beste voorstellen maken wanneer ze een realistische budgetvork kennen. Niet omdat ze dan “naar het budget toewerken”, maar omdat ze keuzes durven maken. Zonder budget blijven ze veilig, generiek of net overdreven ambitieus.
Timing idem. Alles is altijd dringend. Maar wat is écht hard? Wat kan schuiven? Wat is afhankelijk van interne beslissingen? Een briefing zonder realistische timing produceert frustratie, niet snelheid.
Concrete todo: geef een budgetrange én een indicatieve timing, inclusief interne beslismomenten. Agencies zijn verrassend goed in meedenken als ze weten waar de grenzen liggen.
Wat je expliciet níét vraagt: de vergeten paragraaf
Een van de krachtigste briefing-elementen is de paragraaf die bijna niemand schrijft: wat verwachten we niet?
Niet elke doelgroep tegelijk. Niet elk kanaal. Geen rebranding. Geen internationale uitrol. Geen dagelijkse opvolging. Door expliciet te benoemen wat buiten scope ligt, creëer je focus en rust.
Concrete oefening: schrijf drie dingen op die je bewust níét verwacht van dit traject. Dat voelt contra-intuïtief, maar het scherpt elk voorstel aan.
Vergelijkbaarheid: brief om te kiezen, niet om te inspireren
Een selectiebriefing heeft één belangrijk doel: vergelijkbare voorstellen mogelijk maken. Dat betekent dat je ruimte laat voor eigen accenten, maar binnen een duidelijk kader.
Benchmarks tonen dat selectieprocessen die eindigen in “ja maar dit voorstel was creatiever en dat was strategischer” meestal te weinig kaders gaven. Dan vergelijk je stijlen, geen oplossingen.
Concrete tip: formuleer drie vragen die elk agency moet beantwoorden in zijn voorstel. Niet creatief, maar inhoudelijk. Bijvoorbeeld: hoe pakken jullie dit aan, waar nemen jullie risico, wat zouden jullie níét doen? Dat maakt vergelijken plots een stuk eerlijker.
Output van stap 4: wanneer is je briefing af?
Je briefing is af als ze:
het probleem helder benoemt zonder oplossingen voor te schrijven
context geeft over verleden, interne realiteit en gevoeligheden
duidelijke prioriteiten en succescriteria bevat
budget en timing kadert zonder spelletjes
expliciet maakt wat buiten scope ligt
vergelijkbare voorstellen mogelijk maakt
Als je briefing dit niet kan, dan is dat geen reden om hem “toch maar te sturen”. Dan is dat een signaal dat je nog niet klaar bent om te selecteren. Een goede briefing is geen document. Het is een beslissing. En beslissingen die je niet durft opschrijven, komen later altijd terug. Met rente.
Stap 5 - De longlist: rationeel kiezen in een wereld vol verleiding
De longlist is geen buffet. Het is een filter. En toch wordt hij in de praktijk vaak behandeld als een Pinterestbord: alles wat er goed uitziet, mag erbij. Gevolg? Te veel bureaus, te weinig scherpte, en een selectieproces dat energie vreet zonder beslissingen op te leveren.
Een goede longlist is niet inclusief. Ze is exclusief. En ja, dat vraagt lef.
Waarom longlists ontsporen (en waarom dat geen toeval is)
In veel bedrijven ontstaat de longlist organisch. Iemand kent iemand. Iemand zag iets op LinkedIn. Iemand werkte tien jaar geleden met dat bureau. Voor je het weet heb je twaalf namen, vijf meningen en nul criteria.
Benchmarks uit selectieprocessen tonen iets opvallends. Longlists met meer dan acht bureaus leiden zelden tot betere eindkeuzes. Ze leiden vooral tot langere trajecten, meer interne discussie en uiteindelijk alsnog een buikgevoelbeslissing. Met andere woorden: complexiteit zonder rendement.
Concrete reality check: als je niet kan uitleggen waarom een bureau op de longlist staat, hoort het er niet op.
Het doel van de longlist: bewijzen dat je criteria werken
De longlist is geen zoektocht naar “de beste bureaus”. Ze is een test van je selectiecriteria. Elk bureau op de longlist moet er staan omdat het logisch past binnen wat je in stap 1 tot en met 4 bepaald hebt.
Dat betekent ook dat de longlist niet neutraal is. Ze is gekleurd door keuzes. Door focus. Door wat je bewust níét zoekt.
Concrete oefening: schrijf vóór je ook maar één naam noteert je drie belangrijkste selectiecriteria op. Niet vaag. Concreet. Bijvoorbeeld: aantoonbare ervaring met B2B in onze schaal, sterke strategische rol, structuur met vaste senior betrokkenheid. Alles wat daar niet op scoort, valt af. Ook al is het een bekende naam.
Hoeveel bureaus is “juist”?
Een klassieke vraag. Het antwoord is saai, maar duidelijk. Vijf tot acht bureaus is ideaal. Minder dan vijf is soms te smal, meer dan acht is bijna altijd te breed.
Waarom? Omdat je bij meer dan acht geen echte vergelijking meer maakt. Dan wordt het geheugenwerk. Wie was wie? Wat hadden ze ook alweer gedaan? Dan wint het bureau met de beste storytelling, niet per se de beste fit.
Concrete todo: leg het aantal vast vóór je begint. Zeg expliciet: onze longlist telt maximaal zeven bureaus. Dat dwingt keuzes af.
Waar haal je namen vandaan (en waar vooral niet)?
Goede bronnen voor een longlist zijn verrassend saai. Cases in gelijkaardige contexten. Referenties van bedrijven die op jou lijken. Mensen die met bureaus gewerkt hebben en daar eerlijk over durven zijn.
Minder betrouwbare bronnen zijn awards, rankinglijstjes en “ze zijn hot”. Niet omdat die bureaus slecht zijn, maar omdat zichtbaarheid zelden gelijkstaat aan relevantie.
Benchmarks tonen dat bureaus die perfect passen bij een specifieke context vaak minder luid roepen dan bureaus die goed zijn in zichzelf vermarkten. Dat is geen kritiek. Dat is een observatie.
Concrete tip: kijk minstens evenveel naar wat een bureau níét doet als naar wat het wel doet. Focus is een kwaliteitsindicator.
Cases lezen: wat je moet zien en wat je mag negeren
Cases zijn verraderlijk. Ze zijn gemaakt om te overtuigen, niet om te informeren. Mooie visuals, vlotte copy, indrukwekkende resultaten. Maar zonder context zijn ze bijna waardeloos.
Concrete checklist bij het lezen van cases:
Is de context vergelijkbaar met de onze?
Wat was de rol van het bureau écht?
Hoe recent is dit werk?
Welke problemen werden opgelost, niet alleen welke outputs gemaakt?
Als een bureau vooral cases toont uit totaal andere sectoren, groottes of maturiteit, is dat geen probleem. Tenzij het bureau beweert dat “dat niet uitmaakt”. Dan is het wél een probleem.
De harde criteria: durf vooraf nee te zeggen
Een volwassen longlist heeft harde afwijzingscriteria. Dingen die niet bespreekbaar zijn. Geen grijze zones.
Voorbeelden uit de praktijk: geen bureaus zonder senior betrokkenheid, geen bureaus die uitsluitend projectmatig werken, geen bureaus zonder aantoonbare ervaring in onze markt, geen bureaus die werken zonder duidelijke governance.
Concrete oefening: bepaal drie no-go’s. Deel ze intern. En hou je eraan. Ook als een bureau op andere vlakken aantrekkelijk is.
Interne bias: herken hem voordat hij beslist
Longlists zijn zelden objectief. Er spelen altijd voorkeuren mee. De CEO kent iemand. Marketing voelt zich veilig bij een bekend bureau. Sales wil “iemand die leads begrijpt”. Dat is normaal.
Het probleem ontstaat wanneer die bias niet benoemd wordt. Dan wordt hij verpakt als argument.
Concrete todo: vraag expliciet bij elke naam: waarom staat dit bureau hier? En durf ook te vragen: wie heeft hier een persoonlijke voorkeur, en waarom? Dat gesprek is soms ongemakkelijk, maar voorkomt latere frustratie.
De longlist als communicatiemoment
Nog een onderschat aspect. De longlist is ook het eerste signaal naar de markt. Wie je uitnodigt, zegt iets over wie je bent als opdrachtgever.
Benchmarks tonen dat bureaus steeds kritischer kijken naar wie hen uitnodigt en waarom. Een ongerichte longlist straalt onzekerheid uit. Een scherpe longlist straalt maturiteit uit. Dat beïnvloedt hoe serieus bureaus je nemen en hoeveel energie ze investeren.
Concrete tip: contacteer bureaus op de longlist persoonlijk en helder. Leg uit waarom je hen relevant vindt. Dat verhoogt de kwaliteit van elk volgend contact.
Output van stap 5: wanneer is je longlist “goed”?
Je longlist is klaar als:
elk bureau er staat om een expliciete reden
het aantal beheersbaar is
de lijst logisch voortvloeit uit je eerdere keuzes
je vooraf weet welke bureaus sowieso afvallen
interne voorkeuren benoemd en gekaderd zijn
Als dit voelt als veel werk, goed. Dat betekent dat je eindelijk selecteert in plaats van verzamelt. Want een slechte longlist leidt altijd tot een moeilijke shortlist. En die eindigt bijna altijd in spijt achteraf.
Stap 6 - De shortlist: van verzamelen naar beslissen
De shortlist is het moment waarop je stopt met “verkennen” en begint met “kiezen”. Dat klinkt evident. In de praktijk voelt het vaak als springen zonder vangnet. Want wat als je het verkeerde bureau laat vallen? Wat als die ene naam die iedereen kent er straks niet meer bij is? Wat als je later spijt krijgt?
Spoiler: bedrijven krijgen zelden spijt omdat ze te scherp kozen. Ze krijgen spijt omdat ze te vaag bleven.
Wat de shortlist wél is (en wat niet)
De shortlist is geen diplomatieke oefening. Het is geen poging om niemand voor het hoofd te stoten. Het is ook geen bewijs van grondigheid. Het is een werkbaar kader om de volgende fase kwalitatief te laten verlopen.
Benchmarks uit selectieprocessen tonen dat shortlists van drie bureaus veruit de hoogste slaagkans hebben. Vier kan, maar enkel als er inhoudelijke twijfel is. Vijf of meer is bijna altijd een symptoom van interne besluiteloosheid, niet van zorgvuldigheid.
Concrete reality check: als je denkt “laat ons er toch nog eentje bij nemen, voor de zekerheid”, dan ben je niet zeker. En dan moet je terug naar je criteria.
Waarom bedrijven te grote shortlists maken
Er zijn een paar terugkerende redenen waarom shortlists ontsporen.
Angst om fout te kiezen. Politieke druk: “die mogen we niet uitsluiten”. Onvoldoende duidelijke criteria. Of simpelweg het gevoel dat “meer opties” gelijkstaat aan “betere keuze”.
In werkelijkheid gebeurt het omgekeerde. Hoe groter de shortlist, hoe groter de cognitieve belasting. Teams beginnen appels met peren te vergelijken. Details vervagen. De luidste stem wint. Of de mooiste presentatie.
Concrete tip: benoem expliciet waarom je het aantal beperkt. Niet om iemand te overtuigen, maar om jezelf eraan te houden.
De shortlist als stresstest van je criteria
De shortlist is het moment waarop je ontdekt of je selectiecriteria écht werken. Elk bureau dat op de longlist stond, leek logisch. Nu moet je beslissen welke bureaus het best passen binnen de keuzes die je eerder maakte.
Concrete oefening. Leg je criteria letterlijk naast elkaar. Neem per bureau één pagina. Scoor ze niet met cijfers, maar met woorden. Sterk. Twijfelachtig. Niet passend. Zodra je begint te nuanceren met “ja maar”, weet je genoeg.
Benchmarks tonen dat teams die hun shortlistbeslissing expliciet documenteren later veel consistenter evalueren. Niet omdat ze minder twijfelen, maar omdat ze weten waarom ze kozen.
De één-zin-test: meedogenloos maar efficiënt
Een van de krachtigste oefeningen in deze fase is de één-zin-test.
Per bureau op de shortlist moet je deze zin kunnen afmaken:
“Dit bureau zit op onze shortlist omdat…”
Lukt dat niet zonder bijwoorden, bijzinnen of excuses, dan hoort het bureau er waarschijnlijk niet op.
Concrete todo: schrijf die ene zin uit voor elk bureau. Deel hem intern. Als er discussie ontstaat over de zin zelf, zit je goed. Dan gaat het eindelijk over inhoud.
Politiek en voorkeuren: haal ze naar boven, niet onder tafel
Shortlists worden zelden puur rationeel bepaald. Er zijn altijd voorkeuren. De CEO heeft een naam in het hoofd. Marketing voelt zich veilig bij een bekend bureau. Sales wil “iets anders”. Dat is normaal.
Het probleem ontstaat wanneer die voorkeuren niet benoemd worden. Dan sluipen ze onzichtbaar het proces binnen en exploderen ze pas tijdens of na de pitch.
Concrete oefening: vraag expliciet wie een voorkeur heeft voor welk bureau, en waarom. Niet om dat meteen te volgen, maar om het te kaderen. Een benoemde bias verliest veel van zijn macht.
Transparantie naar afvallers: volwassen opdrachtgeverschap
Een shortlist betekent ook: afscheid nemen. En dat is voor veel bedrijven het moeilijkste deel. Men stelt mails uit. Men formuleert vage redenen. Men verdwijnt stilletjes.
Benchmarks tonen dat bureaus het veel beter verteren om expliciet en respectvol afgewezen te worden dan om niets te horen. En belangrijker: bedrijven die dit goed doen, bouwen een reputatie op als volwassen opdrachtgever. Dat werkt door in latere trajecten.
Concrete tip: communiceer kort, eerlijk en tijdig. Geen uitgebreide feedback nodig, wel een duidelijke reden. Dat dwingt je opnieuw om je keuze te verwoorden.
Interne alignment: is iedereen mee, of minstens gehoord?
De shortlist is ook een intern aligneringsmoment. Niet iedereen moet het eens zijn. Wel moet iedereen gehoord zijn. Grote frustraties ontstaan wanneer mensen het gevoel hebben dat “de shortlist al vastlag”.
Concrete oefening: organiseer één expliciet shortlistmoment. Niet tussen de soep en de patatten. Een echt beslismoment. Met alle relevante stakeholders. En sluit af met een duidelijke beslissing. Geen “we laten het even bezinken”.
De shortlist bepaalt de kwaliteit van je pitches
Dit is misschien wel het belangrijkste inzicht. De kwaliteit van de pitchfase wordt niet bepaald door hoe goed bureaus pitchen, maar door hoe scherp jij selecteert.
Benchmarks tonen dat pitches met drie goed gekozen bureaus inhoudelijk veel rijker zijn dan pitches met vijf of zes. Niet omdat bureaus beter zijn, maar omdat de gesprekken dieper gaan. Omdat iedereen weet waarom hij daar zit.
Concrete todo: stel jezelf deze vraag. Als we morgen met deze drie bureaus rond de tafel zitten, hebben we dan drie verschillende, maar even relevante perspectieven? Zo niet, dan heb je waarschijnlijk te weinig onderscheid gemaakt.
Output van stap 6: wanneer is je shortlist sterk genoeg?
Je shortlist is klaar als:
ze maximaal drie, uitzonderlijk vier bureaus bevat
elk bureau er staat om een expliciete, verwoordbare reden
interne voorkeuren benoemd en gekaderd zijn
afvallers correct en tijdig geïnformeerd zijn
je voelt dat de volgende fase inhoudelijk wordt, niet politiek
Als deze stap zwaar voelt, is dat een goed teken. Dan ben je niet meer aan het verzamelen, maar aan het beslissen. Want wie in de shortlist niet durft kiezen, kiest later bijna altijd met spijt.
Stap 7 - Pitches en chemistry meetings: minder theater, meer waarheidsvinding
Laat ons beginnen met een ongemakkelijke vaststelling. De klassieke pitch beloont niet het beste bureau, maar het bureau dat het beste presenteert. Dat zijn zelden dezelfde. Goede storytellers winnen van goede samenwerkingspartners. En daar begint het probleem.
Benchmarks uit selectieprocessen tonen dat meer dan de helft van de bedrijven achteraf zegt dat de pitch een vertekend beeld gaf van de dagelijkse samenwerking. Niet omdat bureaus liegen, maar omdat het format verkeerd zit.
Als je dit niet corrigeert, selecteer je op show. Niet op fit.
Het doel van deze fase: samenwerken simuleren, niet imponeren
De pitch is geen examen. Het is een simulatie. Je wil zien hoe een bureau denkt, luistert, nuanceert, keuzes maakt en omgaat met onzekerheid. Dat leer je niet door hen een uur te laten praten zonder onderbreking.
Concrete herdefiniëring: zie pitches en chemistry meetings als gezamenlijke werksessies. Minder slides, meer gesprek. Minder antwoorden, meer vragen.
Concrete todo: beperk het aantal slides. Dwing bureaus om hun voorstel te kaderen in dialoog. Dat voelt oncomfortabel voor bureaus die gewend zijn om te performen. En dat is net de bedoeling.
Wie zit er aan tafel, en waarom dat alles zegt
Een van de meest onderschatte signalen in deze fase is wie er aan tafel zit. Niet wie er spreekt, maar wie er meeluistert. Wie notities neemt. Wie nuanceert. Wie stilvalt bij moeilijke vragen.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen waarin het vaste team al aanwezig is tijdens de pitch significant beter scoren op tevredenheid na zes en twaalf maanden. Contextoverdracht is geen detail. Het is een kost.
Concrete tip: vraag expliciet dat het team dat effectief zal werken aanwezig is. Geen excuses. Geen “ze zijn vandaag net niet beschikbaar”. Als dat nu al moeilijk is, wordt het later niet makkelijker.
De vragen die je móét stellen (en te weinig gesteld worden)
Veel bedrijven stellen veilige vragen. Over aanpak. Over timing. Over deliverables. Dat zijn noodzakelijke vragen, maar niet de belangrijkste.
De cruciale vragen zitten op samenwerking en frictie. Wat doen jullie als we van mening verschillen? Wanneer zeggen jullie nee? Wat was de moeilijkste klant waar jullie recent mee werkten, en waarom? Hoe ziet een samenwerking eruit die mislukt is?
Benchmarks tonen dat bureaus die hier genuanceerd en eerlijk op antwoorden, vaker duurzame relaties hebben dan bureaus die alles gladstrijken.
Concrete todo: bereid als bedrijf minstens vijf moeilijke vragen voor. Deel ze intern vooraf. En durf stiltes laten vallen na het antwoord. Daar leer je veel.
Creativiteit en voorstellen: kijk naar denkproces, niet naar resultaat
In veel pitches wordt creatief werk gevraagd. Soms terecht, vaak niet. Het gevaar is dat je begint te vergelijken op smaak. En smaak is persoonlijk, niet strategisch.
Als je toch creativiteit vraagt, focus dan op het denkproces. Waarom deze richting? Welke keuzes maakten ze? Wat lieten ze bewust liggen?
Concrete tip: vraag niet “wat is jullie idee?”, maar “welke alternatieven hebben jullie overwogen en waarom zijn die afgevallen?”. Dat onderscheidt creatieven van conceptverkopers.
Chemistry: het meest misbruikte woord in agencyselectie
“Het klikte” is geen criterium. Het is een observatie. Chemistry gaat niet over gezelligheid. Het gaat over werkbaarheid. Kunnen we elkaar tegenspreken? Kunnen we snel schakelen? Kunnen we het oneens zijn zonder drama?
Benchmarks tonen dat teams die zich in pitches vooral focussen op gezelligheid vaker teleurgesteld zijn na drie tot zes maanden. Dan begint het echte werk. En dat is zelden gezellig.
Concrete oefening: beoordeel chemistry op basis van werkmomenten, niet op smalltalk. Hoe reageren ze op kritische feedback? Hoe gaan ze om met onzekerheid?
De interne evaluatie: bescherm jezelf tegen groepsdynamiek
Na pitches gebeurt vaak hetzelfde. Iedereen komt samen, adrenaline nog hoog, indrukken vers. De luidste stem zet de toon. De mooiste slides blijven hangen. En nuance verdwijnt.
Concrete tip: laat iedereen individueel evalueren vóór je samenkomt. Schrijf op wat je sterk vond, wat je zorgen baart en wat je nog wil uitklaren. Pas daarna bespreek je samen.
Benchmarks tonen dat dit de kans verkleint dat beslissingen gekaapt worden door hiërarchie of enthousiasme.
De verborgen kosten van de pitchfase
Nog een realiteit die vaak genegeerd wordt. Pitches kosten tijd. Veel tijd. Aan beide kanten. Interne voorbereiding, meetings, evaluaties. Bij bureaus loopt dat snel op tot tientallen uren.
Benchmarks tonen dat selectieprocessen met onduidelijke pitchverwachtingen vaker afgebroken worden of leiden tot afhakers. Niet omdat bureaus geen zin hebben, maar omdat de ROI onduidelijk is.
Concrete todo: wees helder over wat je verwacht in deze fase, wat niet, en hoe je zal beslissen. Dat verhoogt de kwaliteit van de inzet.
Output van stap 7: wanneer is deze fase geslaagd?
Deze fase is geslaagd als:
je een realistisch beeld hebt van hoe samenwerking voelt
je het vaste team hebt gezien en gesproken
je moeilijke vragen gesteld én beantwoord kreeg
je begrijpt hoe beslissingen genomen worden bij het bureau
je onderscheid ziet op denkproces, niet alleen op presentatie
Als alles vooral “leuk” was, heb je waarschijnlijk te weinig spanning opgezocht. Want een pitch is geen voorstelling. Het is een generale repetitie. En wie daar al in de spotlight blijft staan, gaat in de dagelijkse samenwerking zelden naast je zitten.
Stap 8 - De finale keuze: beslissen zonder jezelf voor te liegen
Na pitches en chemistry meetings gebeurt er iets eigenaardigs. Iedereen weet rationeel wat de opties zijn. De verschillen zijn besproken. De voor- en nadelen liggen op tafel. En toch schuift de beslissing. Nog een nachtje slapen. Nog eens vergelijken. Nog één call. Nog één detail uitklaren.
Benchmarks uit selectieprocessen tonen dat bedrijven die hun beslissing langer dan twee weken laten liggen na de laatste pitch, significant vaker starten met twijfel. En twijfel in het begin is zelden een goed voorteken. Niet omdat twijfelen slecht is, maar omdat het meestal wijst op niet-uitgesproken bezwaren.
Waarom deze stap zo moeilijk is (en dat zelden over het agency gaat)
De finale keuze voelt zwaar omdat ze verantwoordelijkheid legt waar ze hoort: bij het bedrijf zelf. Tot nu toe kon twijfel nog “bij de bureaus” liggen. Nu niet meer.
Typische onderstromen in deze fase:
– angst om verkeerd te kiezen
– interne machtsdynamiek (“wie krijgt gelijk?”)
– FOMO (“wat als die andere toch beter was?”)
– verwarring tussen enthousiasme en fit
Dat zijn menselijke reacties. Maar ze mogen geen selectiecriteria worden.
Concrete reality check: als je op dit punt nog fundamenteel twijfelt, dan ligt dat bijna nooit aan de bureaus. Dan ligt dat aan onduidelijke verwachtingen of aan interne verdeeldheid.
Van buikgevoel naar onderbouwd oordeel
Buikgevoel speelt altijd mee. En dat is oké. Maar buikgevoel zonder onderbouwing is geen beslissing, het is een gok.
Een volwassen finale keuze combineert drie lagen. Inhoudelijke fit, samenwerkingsfit en risico-inschatting. Niet wie “het beste voorstel” had, maar wie het best past bij wat je nu nodig hebt.
Concrete oefening. Beantwoord per bureau expliciet deze drie vragen:
Waar zijn ze aantoonbaar sterk voor onze context?
Waar nemen we bewust een risico als we met hen starten?
Waar verwachten we frictie, en kunnen we daarmee leven?
Als je die vragen niet helder kan beantwoorden, ben je nog niet klaar om te beslissen.
De mythe van de perfecte keuze
Veel bedrijven blijven zoeken naar het perfecte bureau. Dat bestaat niet. Wat wel bestaat, is een bureau met duidelijke sterktes én duidelijke beperkingen.
Benchmarks tonen dat succesvolle samenwerkingen zelden starten met “alles klopte perfect”, maar wel met “we wisten waar we ja tegen zeiden, en waartegen niet”.
Concrete mindset-shift: je kiest geen bureau dat al je problemen oplost. Je kiest een bureau waarmee je de juiste problemen kan aanpakken.
Interne alignment: iedereen eens, of iedereen gehoord?
Een veelgemaakte fout is streven naar unanimiteit. Dat is niet nodig. Wat wel nodig is: alignment.
Alignment betekent dat iedereen begrijpt waarom deze keuze gemaakt wordt, zelfs als hij of zij persoonlijk een andere voorkeur had. Dat vraagt explicitering.
Concrete todo: sluit deze fase af met een expliciete beslissing, vastgelegd in één document. Geen verslag, geen deck. Eén pagina met:
– wie gekozen is
– waarom
– welke verwachtingen er zijn
– welke risico’s bewust genomen worden
Dat document is goud waard. Vooral zes maanden later.
Vergelijk niet langer, maar committeer
Een cruciaal moment in deze stap is het loslaten van vergelijking. Zolang je blijft vergelijken, blijf je mentaal shoppen. En shoppen is dodelijk voor samenwerking.
Benchmarks tonen dat bedrijven die na de beslissing nog blijven teruggrijpen naar “wat als we…” sneller ontevreden worden, zelfs bij objectief goede prestaties.
Concrete oefening: op het moment van beslissing stop je met praten over de andere bureaus. Klaar. De keuze is gemaakt. Alles wat volgt, vertrekt vanuit commitment.
Timing: beslissen is ook tempo tonen
De snelheid waarmee je beslist, is een signaal. Naar het bureau, maar ook naar je eigen organisatie.
Te traag beslissen communiceert twijfel. Te snel beslissen zonder reflectie communiceert impulsiviteit. De sweet spot is helder: een beslissing binnen één tot twee weken na de laatste pitch, met duidelijke argumentatie.
Concrete todo: plan het beslismoment al vóór de pitches plaatsvinden. Zet het in de agenda. Dat voorkomt uitstelgedrag vermomd als zorgvuldigheid.
Communicatie naar de niet-geselecteerden: sluit waardig af
Hoe je nee zegt, zegt veel over wie je bent als opdrachtgever. En ja, dat blijft hangen.
Benchmarks tonen dat bureaus die correct en inhoudelijk geïnformeerd worden over een afwijzing, later sneller opnieuw ingaan op een uitnodiging. Bedrijven die vaag blijven of verdwijnen, bouwen reputatieschade op. Ook al merken ze dat zelf niet meteen.
Concrete tip: communiceer kort, respectvol en inhoudelijk. Geen ellenlange feedback, wel een eerlijke reden. Dat dwingt je opnieuw om je keuze scherp te formuleren.
De eerste verwachtingen expliciet maken
De finale keuze is geen eindpunt. Het is het begin van een samenwerking. En die start beter met duidelijke verwachtingen dan met vage euforie.
Concrete todo: spreek bij de keuze al af wat succes betekent na drie en zes maanden. Niet in KPI’s alleen, maar in samenwerking. Tempo. Communicatie. Besluitvorming.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen die starten met expliciete evaluatiemomenten veel sneller bijsturen en minder escaleren.
Output van stap 8: wanneer heb je écht gekozen?
Je hebt écht gekozen als:
je kan uitleggen waarom dit bureau past bij wat je nu nodig hebt
je bewust bent van de risico’s en ze accepteert
je intern alignment hebt, ook zonder unanimiteit
je stopt met vergelijken en start met committen
je verwachtingen voor de eerste fase expliciet zijn
Als deze stap ongemakkelijk voelt, is dat normaal. Dit is waar verantwoordelijkheid landt. Maar hier zit ook de kracht. Want bedrijven die hier helder kiezen, starten samenwerkingen met rust, richting en vertrouwen.
Stap 9 - Contract en samenwerking: afspraken maken is geen wantrouwen, maar volwassenheid
Laat ons meteen een hardnekkige mythe ontkrachten. Een contract is geen verzekering tegen slechte intenties. Het is een kader voor goede intenties. Bedrijven die denken “we vertrouwen elkaar, dus we hoeven dit niet scherp te zetten”, ontdekken meestal binnen zes maanden dat vertrouwen zonder afspraken vooral veel interpretatieruimte laat. En interpretatieruimte is conflict in wording.
Benchmarks uit agencyrelaties tonen iets interessants: samenwerkingen met duidelijke afspraken bij de start escaleren minder, zelfs wanneer resultaten tegenvallen. Niet omdat alles dan goed loopt, maar omdat men weet waarop men elkaar kan aanspreken.
Het contract is geen juridisch document, maar een operationeel instrument
Veel contracten zijn juridisch correct en operationeel onbruikbaar. Ze beschermen tegen rampen, maar helpen niet bij het dagelijkse werk. En dat dagelijkse werk is waar de meeste frictie ontstaat.
Wat moet een contract minimaal doen? Duidelijkheid geven over rolverdeling, scope, verwachtingen, evaluatie en exit. Niet alles dichttimmeren, wel expliciet maken wat anders impliciet blijft.
Concrete reality check: als je contract vooral zegt wat niet mag, maar nauwelijks zegt hoe je samenwerkt, dan heb je vooral een schild gebouwd, geen kader.
Scope: vaagheid is de moeder van alle discussies
Scope is het meest besproken én minst concreet gemaakte onderdeel van agencycontracten. “Strategische ondersteuning”, “creatieve uitwerking”, “campagnebegeleiding”. Dat klinkt mooi. Tot iemand vraagt: hoort dit er nog bij?
Benchmarks tonen dat scope-discussies veruit de meest voorkomende bron van conflict zijn in agencyrelaties. Niet omdat iemand kwaad wil, maar omdat verwachtingen nooit expliciet zijn afgestemd.
Concrete oefening: beschrijf scope niet alleen in termen van taken, maar ook in termen van verantwoordelijkheid. Wat is het bureau eigenaar van? Waar stopt hun verantwoordelijkheid? Wat blijft intern?
Nog belangrijker: benoem expliciet wat niet in scope zit. Dat voorkomt 80 procent van de latere discussies.
Vergoeding en prijsmodel: begrijp wat je koopt
Uurtarieven, retainers, projectprijzen, value-based fees. Elk model heeft zijn logica. Geen enkel model werkt zonder wederzijds begrip.
Benchmarks tonen dat ontevredenheid over prijs zelden over de prijs zelf gaat, maar over onduidelijkheid. Bedrijven voelen zich verrast. Agencies voelen zich uitgeknepen. Dat is geen financieel probleem, dat is een verwachtingsprobleem.
Concrete todo: laat het bureau expliciet uitleggen hoe hun prijsmodel werkt. Niet in cijfers alleen, maar in gedrag. Wat gebeurt er als het werk toeneemt? Wat als het afneemt? Wat als prioriteiten verschuiven?
Als je dat gesprek niet durft voeren bij de start, ga je het later voeren in frustratie.
Governance: wie beslist wat, en wanneer?
Een van de grootste valkuilen in agencyrelaties is onduidelijke governance. Iedereen denkt dat hij mag meebeslissen. Tot niemand nog beslist.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen met duidelijke beslissingslijnen sneller werken, minder escaleren en betere resultaten halen. Niet omdat er minder overleg is, maar omdat er duidelijkheid is.
Concrete oefening: leg vast wie aan klantzijde beslissingsrecht heeft, wie input geeft en wie geïnformeerd wordt. Dat klinkt als corporate gedoe, maar het bespaart bakken energie. Zeker wanneer deadlines naderen.
Evaluatiemomenten: maak bijsturen expliciet
De meeste samenwerkingen worden geëvalueerd wanneer het al misloopt. Dat is te laat.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen met vooraf afgesproken evaluatiemomenten na drie en zes maanden significant minder kans hebben op escalatie of breuk. Niet omdat alles dan perfect loopt, maar omdat problemen benoemd mogen worden voordat ze persoonlijk worden.
Concrete todo: plan evaluatiemomenten al in bij de start. Zet ze in de agenda. En maak duidelijk wat er geëvalueerd wordt. Niet alleen resultaten, maar ook samenwerking, tempo en communicatie.
Exit: durf afspreken hoe je uit elkaar gaat
Dit is misschien het meest emotionele punt. Niemand wil praten over afscheid bij het begin. En toch is dit een teken van volwassenheid.
Benchmarks tonen dat samenwerkingen met duidelijke exit-afspraken rustiger starten. Omdat niemand zich gegijzeld voelt. Omdat engagement vrijwillig blijft.
Concrete tip: maak exit eenvoudig, correct en menselijk. Redelijke opzegtermijnen. Duidelijke overdracht. Geen drama. Geen verrassingen. Dat is geen gebrek aan vertrouwen, dat is respect.
De kick-off: contract is getekend, maar je bent nog niet vertrokken
Een veelgemaakte fout is denken dat het werk start na de handtekening. In realiteit start het echte werk bij de kick-off.
De kick-off is het moment waarop verwachtingen vertaald worden naar werkafspraken. Wie doet wat? Hoe communiceren we? Hoe gaan we om met feedback? Wat is de eerste prioriteit?
Benchmarks tonen dat samenwerkingen met een expliciete kick-off veel sneller in ritme komen dan samenwerkingen die “gewoon beginnen”.
Concrete todo: behandel de kick-off als een mini-reset. Alles wat impliciet was in de selectie, maak je hier expliciet in de samenwerking.
Output van stap 9: wanneer is de samenwerking goed opgezet?
Je bent klaar met stap 9 als:
scope en verantwoordelijkheden helder zijn
prijs en prijsmodel begrepen worden langs beide kanten
beslissingslijnen expliciet zijn
evaluatiemomenten vastliggen
exit-afspraken rust geven
de kick-off verwachtingen vertaalt naar actie
Als dit veel lijkt, goed. Want dit is het verschil tussen “we hebben een bureau” en “we werken samen met een bureau”.
Tot slot - Zelf doen of hulp inschakelen
Met deze gids kan je als bedrijf perfect zelf aan de slag. Als je de tijd, discipline en interne scherpte hebt, werkt dit. Maar laat ons eerlijk zijn: agencylandschap, dynamieken en valkuilen zijn complex. En intern ontbreekt vaak de afstand om echt neutraal te kiezen.
Als je voelt dat dit proces te zwaar wordt, te politiek, of gewoon te tijdsintensief, dan kan IKAg helpen. We begeleiden bedrijven doorheen dit volledige traject. Van zelfdiagnose tot briefing, van longlist tot finale keuze en contractadvies. Niet om beslissingen over te nemen, wel om ze beter, scherper en eerlijker te maken.
Want het juiste agency kiezen is geen detail. Het is een strategische keuze met een lange staart. En wie die staart niet vasthoudt, wordt er vroeg of laat door meegesleurd.


